Hoe speel ik Squash
SQUASH, HOE SPEEL JE DAT?
ALGEMEEN
Squash wordt gespeeld door twee spelers in een ruimte die omgeven is door 4 muren. De spelers slaan de bal om beurt tegen de voormuur, direct of indirect (via een zijmuur). Wanneer de bal van de voormuur terugkomt, mag de bal niet meer dan 1 keer op de grond botsen, voordat de andere speler de bal slaat. De speler mag de bal echter ook volleren (d.w.z. slaan zonder de bal te laten botsen).
Een speler moet er rekening mee houden dat de tegenstander steeds de bal moet kunnen slaan en moet hem hiertoe alle benodigde ruimte geven. Indien de speler, uit vrees om zijn tegenstander te raken, de bal niet slaat, speelt men een let (d.w.z. de rally wordt opnieuw gespeeld). Zou de speler de bal wel slaan, missen en dan pas let vragen, dan wordt geen let gespeeld en gaat de service naar de tegenpartij.
De bal mag de muren niet raken boven de (rode) uitlijn en onder de 'tin'. Anders dan bij tennis is een bal fout wanneer hij een lijn raakt.
PUNTENTELLING
Er wordt gespeeld volgens de PAR score (Point-a-Rally). Dit is een scoremethode waarbij iedere rally een punt inhoudt. Servicewissels vinden nog wel plaats, maar ook de ontvangende speler krijgt een punt bij de winst in de rally. Een wedstrijd zal gaan om drie gewonnen games. Iedere game gaat tot elf punten, tenzij de stand 10-10 bereikt is. In dit geval gaat de game door tot een van de spelers wint met twee punten verschil. De referee zal bij 10-10 aankondigen: 'Tie-break', speler dient te winnen met twee punten verschil." De game score wordt dus bv. 12-10 of 17-15.
Het recht om te serveren wordt bepaald door de 'toss' (draaien van het racket op de grond). De serveerder mag beslissen vanuit welk vak hij begint te serveren. Als hij scoort, serveert hij de volgende keer uit het andere servicevak, enz
HET SPEL
1. Goede service:
De serveerder staat met tenminste 1 voet in het servicevak en slaat de bal via de voormuur (boven de servicelijn) in het grote vak waar de ontvanger staat.
2. Servicefout:
Speler A staat met een voet in het serveervak. De bal komt in het ontvangvak van speler B terect, maar raakt op de voormuur de servicelijn of het muurvlak daaronder.
3. Servicefout:
De bal komt niet in het tegenovergestelde ontvangvak terecht of raakt de lijnen van dat vak. Wanneer de serveerder de bal mist, hem boven of op de uitlijnen slaat, de bal in het tin slaat of wanneer de bal niet eerst de voormuur raakt, gaat de service naar de tegenstander. Een bal is fout wanneer hij:
- boven of op de uitlijnen terechtkomt.
- het tin raakt
- de vloer raakt voordat de bal tegen de voormuur komt
- twee keer botst voordat de tegenstander de bal kan slaan.
4. Return van service:
Speler B slaat de service van A terug. De ontvanger B mag de bal eenmaal laten botsen of slaat de bal terug zonder dat deze de grond heeft geraakt (volley).
5. Bal in spel:
De bal hoeft niet rechtstreeks de voormuur te raken. Men mag zoals B doet de bal via de zijmuur slaan. Wanneer B de bal geslagen heeft, kiest hij positie op de T.
6. Vervolg van het spel:
Men kan de bal op diverse manieren slaan. Speler A speelt hier een zachte bal (dropshot) en maakt speler B kansloos omdat deze achter in de baan staat.
7. Let:
In deze spelsituatie kan een let worden toegekend. Speler B verhindert de aan de beurt zijnde speler A een goed zicht op de bal.
8. De bal raakt de tegenstander (1)
Speler A raakt de tegenstander B met de bal. De bal zou via de zijmuur op de voormuur terecht zijn gekomen. In dit geval wordt een let gespeeld. D.w.z. de rally wordt opnieuw gespeeld.
9. De bal raakt de tegenstander (2)
Speler A slaat de bal tegen speler B. De bal zou rechtstreeks op de voormuur terecht zijn gekomen, daarom krijgt speler A het punt.
10. De bal raakt de tegenstander (3)
De bal raakt speler B. De bal had de voormuur al dan niet via de zijmuur niet gehaald. Zodoende gaat het punt naar speler B.